Category: Historie

Pareltjes in de provincie (deel 11): Borg Groenestein

Midden in de wijk Helpman van de stad Groningen ligt een minder bekende maar prachtige borg. Op landgoed Groenestein aan de Helperzoom (toen Oosterweg) werd in 1685 door Lucas Alting Huis Groenestein gebouwd met een sobere, eclectische bouwstijl. Later werd de borg en het park in 1871 verder uitgebreid tot de huidige vorm door jonkheer Quintus. De borg is nu nog bewoond, maar het park in Engelse landschapsstijl eromheen is vrij toegankelijk en herbergt naast monumentale bomen een diversiteit aan flora en fauna. 


De zuidelijke wijk van de stad Groningen was na de 80-jarige oorlog in trek bij de welgestelde families, zoals Alberda, Clant, Ubbena, Entens en Coenders, die hier gronden hadden. Lucas Alting kocht het landgoed en de boerenplaats van Helena van Ketwich, weduwe Alberda van Paterswolde en noemde zijn landerijen Helperbrinck.

Toen Bommen Berend (bisschop van Münster) in 1672 werd teruggedreven werden borgen door regenten buiten de stadswal gebouwd omdat het platteland weer veilig was. Tegelijkertijd steeg de regent hiermee in aanzien. Lucas Alting kocht het door een gracht omringde erf in 1679.

Park Groenestein is sinds 1971 Rijksmonument en werd door tuinarchitect Gerrit Vlaskamp aangelegd.

Bronnen bij dit artikel:

Andere pareltjes in de provincie:

 

Pareltjes in de provincie (deel 10): de Pancratiuskerk van Godlinze

“De Pancratiuskerk van Godlinze is gebouwd op een oude Romeinse en de gaafste wierde van de provincie Groningen.” Dat vertelt de beheerder van de kerk, mevrouw Hoeksema – du Pui die ook rondleidingen geeft. De eerste kerk die rondom 1100 in Godlinze werd gebouwd, was er een van Duitse tuftsteen (vulkanisch gesteente). Het silhouet van de oude tuftstenen kerk is nog steeds zichtbaar in de buitenmuur van de intussen met baksteen uitgebreide en gerestaureerde kerk.


Het silhouet van de oude kerk is zichtbaar door de bewaard gebleven tuftstenen. De vrouweningang is nog duidelijk zichtbaar in de bakstenen muur. (foto: Mike Tomale)

De dure tuftsteen werd na 1250 bij de uitbreiding van de kerk niet meer per schip uit Duitsland gehaald, ‘want ons Grunningers bennen net als zeeuwen, zuneg ‘ , lacht mevr. Hoeksema – du Pui, die ook voorzitter is van de Stichting Cultureel Erfgoed Gemeente Delfzijl. De baksteentechniek (kloostermoppen) werd in de middeleeuwen door de monniken geïntroduceerd. Aan de afmeting van de tuftstenen kan men zien hoe oud ze zijn. Hoe groter de steen, hoe ouder ze zijn, legt mevr. Hoeksema – du Pui uit.

De oude ingang aan de achterkant van de huidige kerk (foto: Mike Tomale)

De oude ingang van het tuftstenen kerkje is bewaard gebleven aan de zuidoost muur van de huidige bakstenen kerk, die in de middeleeuwen twee ingangen had, een voor de vrouwen en een ingang voor de mannen die per toeval bij de restauratie in 1984 werd ontdekt. De vrouweningang werd ook wel het Noormannenpoortje genoemd. Dat kwam omdat bij het verlaten van de kerk men moest bukken voor de lage ingang en tevens boog men dus voor de Noormannen in het Noorden.

De dichtgemetselde hagioscoop (foto: Mike Tomale)

Iets verderop in de oude tuftstenen muur zit ook een dichtgemetselde hagioscoop (hagios is Grieks voor licht). Een hagioscoop was een klein venstertje wat gebruikt werd door mensen die uitgesloten waren door de kerk, zoals melaatsen en mensen die door de kerk waren geëxcommuniceerd . Ze konden dan aan de buitenkant van de kerk de dienst alsnog volgen door het kleine raampje. Ook werd in het raampje een kaars gebrand voor de doden op het kerkhof.

In 1554 laat borgvrouwe Juffer Tiake Ripperda, die aan de overkant van de weg woonde, de toren die gebouwd werd in 1250 vernieuwen en verhogen. Een eerbetoon in de vorm van een gevelsteen is aan de buitenkant van de kerk aangebracht. De rijke familie Ripperda komt oorspronkelijk uit Farmsum waar nog grafzerken van de familie te vinden zijn.

Lees verder

Thee drinken vanzelfsprekend? Niet in 1847

Hieronder volgt een stuk over thee, zoals geschreven op vrijdag 1 oktober in 1847 in de Groninger Courant. Thee drinken was in 1847 geen vanzelfsprekend iets. De bladeren werden pas in de 17de eeuw door de VOC naar Nederland gebracht, en was voornamelijk een genotsdrankje voor de elite. Het stuk is integraal overgenomen, inclusief het oud Nederlands.


thee1Iets over thee en haar gebruik, en over de beste manier, om op eene eenvoudige en goedkoope wijze krachtig en welsmakend te bereiden.

Twee Arabieren, welke in de 9de eeuw het Oosten van Azië doorreisden, spreken reeds van thee; in Europa werd zij eerst in de 17de eeuw bekend, daar of de Russen uit Mongolië, of de Hollanders uit Japan haar meebragten. Zoo veel weet men zeker, dat Hollansche zeereizigers op China de thee vóór het jaar 1600 bij ons invoerder, en dat Holland dezen handel langen tijd voor zich behield. In het jaar 1666 bragt lord Arlington het eerste pond thee voor drie ponden sterling (welke prijs tot 1707 stand hield), uit Holland naar Engeland. In het jaar 1763 bekwam Linaeus, nadat hij 17 maal vruchteloos pogingen hiertoe had in het werk gesteld, eindelijk eene levende theeplant uit China en bragt haar in het jaar 1765 te Upsala aan ’t bloeijen. – De Theeheester is met de Camellia zeer na verwant; zij heeft mede Oost-Azie tot vaderland en behoort in China ren Assam te huis. – Wanneer de heester aan zich zelven wordt overgelaten, dan bereikt hij eene hoogte van 10 – 12 voeten; doch gekweekt, wordt hij 5 – 6 voeten hoog; echter wordt hij lager gehouden, ten einde het aanschieten der takken en het inzamelen der bladeren gemakkelijk te maken.- Linnaeus onderscheidde 2 soorten van theeheesters: de groene (thea viridis) is sterker en hooger, slaagt in China tot aan de 40 – 45 N.B; terwijl de Bohea-thee kleiner en haar aanbouw slechts tot tussen de 27 – 28 N.B beperkt is. In China komt de thee het beste voort op de zuidzijde van hoogten, die in de nabijheid van kleine rivieren en beken liggen; in Japan wordt zij aan de grenzen getrokken en dient zij teven tot heggen. – De theeplant wordt gezaaid; de heester geeft van het 3de tot 7de jaar, en wel drie winstgevende oogsten jaarlijks: de eerste, in Februari en Maart, levert  alleen fijne, nog weinig ontwikkelde uitspruitsels; dit is de beste soort, de Keizers-thee genoemd, omdat de Keizer en de grooten des rijks slechts deze thee drinken. Van mindere voortreffelijkheid zijn de oude bladen en jonge takken, welke in April ingezameld en naar grootte en fijnheid gesorteerd worden. In den derden oogst, in Mei of Junij, worden de grofste bladeren afgesneden en gesorteerd. Later laat men de bladeren aan de heester zitten

Lees verder

Pareltjes in de provincie (deel 9): Gemaal ‘De Waterwolf’

Op de landtong tussen het Reitdiep en de Kommerzijlsterrijte staat gemaal De Waterwolf, soms ook gemaal Electra genoemd. Het gemaal uit het begin van de 20 ste eeuw is een Rijksmonument en is nog steeds operationeel. Sterker nog: het vervult een sleutelfunctie in de afvoer van overtollig water richting de Waddenzee. De inhoud van het gemaal is industrieel erfgoed.


foto: Mike Tomale - Gemaal De Waterwolf (Electra)

foto: Mike Tomale – Gemaal De Waterwolf (Electra)

foto: Mike Tomale - Woudagemaal in Lemmer

foto: Mike Tomale – Woudagemaal in Lemmer

Gemaal De Waterwolf heeft vier Stork pompen die aangedreven worden door vier dieselmotoren van het merk Brons, gebouwd door de gelijknamige Appingedamse motorenbouwer. Het gemaal zorgt ervoor dat overtollig water uit het achterliggende stroomgebied Electra wordt afgevoerd naar het 2400 hectare grote boezemgebied van het Lauwersmeer waar ook het gemaal H.D. Louwes uit Zoutkamp de Electra-boezem bemaalt. Het gemaal De Waterwolf – wat 6 kilometer landinwaarts ligt – kan qua capaciteit en functie vergeleken worden met het stoomgemaal in Tacozijl (Lemmer), het Ir. D.F. Woudagemaal, wat er voor zorgt dat de Friezen droge voeten houden. Beide gemalen werden begin 19de eeuw geopend door Koningin Wilhelmina.

4500 kuub water per minuut
De rondleiding bij het gemaal in Lauwerszijl aan de Teenstraweg wordt gegeven door machinist Willem Alberts, een oude rot in het vak die al meer dan 33 jaar werkzaam is bij dit gemaal. Vol passie vertelt hij over de geschiedenis van het gemaal, de capaciteit en vooral het nut en noodzaak van het gemaal voor de Groningers. Er wordt gemiddeld 60 tot 70 dagen op jaarbasis gepompt, tijdens de herfst, winter en voorjaar. In de lente en zomer is er verdamping en vruchtgebruik van het water, dus moet er minder gepompt worden. In totaal kan er 4000 kuub water per minuut gepompt worden met deze vier dieselmotoren. Onder de pompen zitten nog vrijelozingskokers die met houten wachtdeuren gesloten kunnen worden. De vijfde vrije lozingskoker werd in 1997 voorzien van twee elektrisch dompelpompen die door NAM beschikbaar zijn gesteld  om wateroverlast door bodemdaling te compenseren. Hierdoor kan nog eens 500 kuub per minuut extra gepompt worden. 4500 kuub water over 100.000 hectare is ongeveer 8 millimeter.

Lees verder

Pareltjes in de provincie (deel 8): Steenfabriek Ceres in Aizingedam

Langs de Westwijdermaar in Rottum staan de restanten van wat ooit de prestigieuse steen- en draineerbuizen fabriek Ceres was. De fabriek werd in 1968 gesloten om vijf jaar later deels afgebroken te worden. De oude afgebrokkelde schoorsteen uit 1916 staat dit jaar al 100 jaar overeind en heeft stormen, de tand des tijds en aardbevingen weerstaan. 


Steenfabriek Ceres werd in 1857 opgericht. Alleen de kleischuur en twee schoorstenen staan nog overeind. Van de brandschuur en de oven zijn alleen nog funderingen over. Het huis rechts naast de fabriek – nummer 10- dateert ook nog uit dezelfde tijd en was toen van de brandmeester.

Het dorpje Rottum in de gemeente Eemsmond is niet alleen bekend door de restanten van de steenfabriek, maar ook van het kleinste huisje in de provincie Groningen: ’t hoeske van Tais Joaptje. Het stukje industrieel erfgoed van Groningen is iets verderop te vinden, via de Kloosterweg en ’t Lage eind naar de N998 (Usquerderweg) richting Kantens.

Lees verder

error: © Groninger Krant 2016